WHFRP

Forumpje voor de campagne van Frank
 
HomeHome  PortalPortal  FAQFAQ  SearchSearch  RegisterRegister  MemberlistMemberlist  UsergroupsUsergroups  Log in  

Share | 
 

 De kronieken van Dietrich

View previous topic View next topic Go down 
AuthorMessage
Kane

avatar

Number of posts : 7
Registration date : 2006-11-15

PostSubject: Het verhaal van Dietrich, deel 1   Fri Dec 15, 2006 12:41 am

Het verhaal van Dietrich is er één van verlangen, teleurstelling en hoop.
Als oudste zoon van een herbergier was er voor hem een grootse toekomst weggelegd: bier ronddragen tot zijn veertigste en tegen dan de herberg van zijn vader overnemen. Zijn vaders herberg was gelegen in een arm dorpje in Middenland, ongeveer halverwege tussen Untergard en Grimmenhagen. Een klein dorpje, bestaande uit een dorpsvader (burgemeester zou te veel eer zijn), enkele boerderijtjes, een smid en herberg “K zien alles dobbel”.

Herberg “K zien alles Dobbel”.
Vader Herman had geen probleem om zijn clienteel op peil te houden: de meeste klanten keerden dagelijks terug van een paar uur na zonsopgang tot laat na zonsondergang. Zijn inkomstenstroom had hij dan ook tot 15 jaar in de toekomst uitgepland. Occasioneel passeerden er een paar reizigers op doortocht, meestal handelaars, soms woudlopers en zeer zelden deed ook nobel gezelschap de herberg aan. Bij gebrek aan beter uiteraard. De twee trouwste klanten waren Hanzz en Friedrich. Hanzz was ongelukkig getrouwd en elke dag kwam hij naar de herberg om terug op krachten te komen van de nachtelijke avonturen met zijn lieftallige echtgenote Bertha: 130 kg vlees en aan de lichaamsbeharing te zien moet er ergens in de bloedlijn een dwerg terug te vinden zijn. Een inkomen hadden Hanzz en Bertha nauwelijks, maar het kinderloos gezin leefde van hun moestuintje, melk van hun twee geitjes en de occasionele gift van een passerend reisgezelschap. Bij tijden knapte Hanzz hier en daar in het dorp wat klusjes op, maar enkel tijdens de eerste uren van de dag. Friedrich was niet getrouwd en niemand wist eigenlijk zijn levensverhaal. Maar toch had hij sinds kort de twijfelachtige eer op de lijst van stamgasten te staan die uithing vlak naast de deur van de herberg. Hanzz en Friedrich konden elkaar eigenlijk niet uitstaan, maar ze waren het levende bewijs dat er geen probleem is dat een paar liter bier niet kan oplossen. Daarnaast diende de herberg ook als feestzaal wanneer er iets speciaals te beleven viel. Te oordelen naar de grootte van het dorp was dit niet al te vaak, maar de feesten waren desondanks toch steeds aangenaam en sfeervol. De laatste keer was ongeveer een half jaar geleden toen Herman voor de 6e keer vader geworden was en gans het dorp had uitgenodigd om dit heuglijke feit te vieren.
Back to top Go down
View user profile
Kane

avatar

Number of posts : 7
Registration date : 2006-11-15

PostSubject: Het verhaal van Dietrich, deel 2   Fri Dec 15, 2006 1:15 am

Dietrich in zijn jonge jaren.

Als 6 jarige besefte Dietrich nog niet al te veel van de wereld. Voor zover hij wist bestond de wereld uit de herberg van zijn vader, de afgrijselijke smoutepap van zijn moeder en het gekir en gebleit van zijn jongere broers en zusters.
Op zijn 7e verjaardag begon Dietrich te beseffen dat de weg die voor de herberg passeerde, toch ergens naartoe moest leiden. Misschien was de wereld dan toch uitgebreider dan hij altijd gedacht had. Hanzz en Friedrich, de twee oudste stamgasten, waren de eerste uren van elke dag nog de slechtste niet om tegen te babbelen, maar de herbergierszoon zag zichzelf niet elke dag voor de rest van zijn leven naar hun gebral luisteren. Ergens hoopte en vermoedde hij dat er toch meer was in het leven. Onwetend en met veel te weinig zelfvertrouwen om op verkenning te gaan, trok hij zich s avonds terug in zijn eigen fantasiewereld. In het nabijgelegen bos had hij een (naar zijn normen) volledig kasteel gebouwd en vocht tenminste wekelijks een heroïsche strijd uit tegen onzichtbare struikrovers, vandalen, heksen en ander gespuis. Aangezien hij niet wist hoe het keizerrijk er achter de boomgrens uitzag, creëerde hij zijn eigen wereld. Uitgeput ging hij dan terug naar de slaapruimte om na te genieten van zijn overwinningen van die avond. Onderwijs kreeg de jongen niet, maar telkens wanneer een niet vertrouwd gezicht de herberg binnen kwam, luisterde hij met veel aandacht naar wat deze persoon te vertellen had. Als die al iets sprak tenminste. Daarnaast leerde hij van zijn vader een basis in wiskunde en de beginselen van economie. Herman wou namelijk zijn zoon zo vroeg mogelijk voorbereiden om hem op te volgen. En als oudste zoon moest Dietrich natuurlijk ook allerlei klusjes in het huis opknappen, meestal in opdracht van zijn moeder. Van zijn vader leerde hij met getallen werken, van zijn moeder kreeg hij zijn algemene handigheid mee en zijn wereldkennis deed hij op in de herberg.

Maar het was niet allemaal rozengeur en maneschijn. Dietrich werd al op zeer jonge leeftijd geconfronteerd met de verwoestende effecten van bier. Tientallen keren had hij gezien hoe de meest sympathieke persoon kon veranderen in een arrogante zatlap die niet alleen irritant en gevaarlijk was voor zijn omgeving, maar vooral voor zichzelf. Hij stelde al vroeg voor zichzelf vast nooit een druppel alcohol aan te raken, een belofte die hij tot op heden heeft kunnen waarmaken.
Daarnaast had hij een aangeboren gave om in het donker goed te kunnen zien. Er moest wel een minimum aan licht zijn, maar het fijnste streepje maanlicht was voor hem voldoende om ’s nachts de volledige omgeving te kunnen afspeuren. Dit kwam hem goed van pas wanneer hij zich na sluitingtijd terugtrok in zijn droomwereld in het bos.
Back to top Go down
View user profile
Kane

avatar

Number of posts : 7
Registration date : 2006-11-15

PostSubject: Het verhaal van Dietrich, deel 3   Fri Dec 15, 2006 2:47 pm

Once in a lifetime
Toen Dietrich 10 was, beleefde de jonge herbergierszoon de verrassing van zijn leven: die avond zou een ridder de herberg betreden. Het begon als een gewone avond: Hanzz en Friedrich waren met elkaar aan het verbroederen en Herman begon alles stilaan op te ruimen toen laat op de avond de deur openging. Dietrich wist niet wat hij zag: voor het eerst in zijn leven zag hij waarover hij tot dan toe alleen maar gehoord had: een volledig geharnaste ridder die zijn leven in dienst stelde van de zwakken, armen en hulp behoevenden. Een man, nauwelijks nog van vlees en bloed die maar één streven had: eervol te sterven. Maar deze ridder was alleen, zeer ongebruikelijk. Hij was niet vergezeld door een page of schildwacht hoewel het niet leek alsof hij onlangs in een gevecht betrokken was geweest. Ondanks het feit dat de ridder duidelijk een lange reis achter te rug had (en waarschijnlijk ook nog voor de boeg had), had hij er blijkbaar bewust voor gekozen om alleen rond te trekken.
Herman verwelkomde met de nodige eerbied (en ook angst) het nobele gezelschap, bood hem zijn beste tafel aan en gebaarde Hanzz en Friedrich dat ze moesten zwijgen. Met bibberende knieën bracht Dietrich de ridder zijn bestelling en keek vol afgunst en ontzag naar het ruige, ongeschoren gezicht van zijn zopas vlees geworden idool. De ridder bekeek de jonge knaap en deed toen iets wat Dietrich nooit voor mogelijk had geacht: de ridder glimlachte naar hem. Nog nooit had een vreemde ooit iets vriendelijks tegen hem gezegd, laat staan geglimlacht. Eensklaps leek deze held geen onbereikbare fantasie, maar een persoon van vlees en bloed. Dietrich wist helemaal niks van de ridder, maar het kon niet anders dan dat hij al honderden vijanden had verslagen, tientallen weerloze vrouwen had gered en andere, onnoembare goede daden had verricht.

Toen Dietrich hoorde hoe de ridder aan Herman vertelde dat hij een kamer wenste, maar al voor het ochtendgloren vertrokken zou zijn, nam hij de meest kritieke beslissing in zijn leven. Hij zou de ridder volgen. Het maakte niet veel uit wie hij was, waar hij naartoe ging, of met welke bedoeling hij door het land trok: Dietrich wilde ook zo worden.
Hij maakte van de rest van de avond gebruik om de noodzakelijke uitrusting bij elkaar te rapen en sloop toen naar buiten. Lezen en schrijven was Dietrich nog vreemd, maar op een houten balk tekende hij met een stuk houtskool een ridder. Hij liet de tekening achter op zijn strobaal zodat zijn ouders zouden begrijpen waarom hij hen verlaten had. Hij vond het vervelend om als oudste zoon zijn ouders in de steek te laten, maar zijn broers en zussen zouden het werk wel alleen aankunnen. Zijn besluit stond vast. Verscholen achter de herberg, in de regen zou hij wachten tot de ridder vertrok. Eén probleem werd hem echter al snel duidelijk: onder het afdak aan de ingang van de herberg stond een paard. Een schitterend dier, duidelijk verzorgd en met een indrukwekkend pantser, maar desalniettemin nog altijd een paard. De enige mogelijkheid die Dietrich zag was om de ezel van zijn vader te “lenen” om zo de ridder te kunnen bijhouden. Maar hoe zou hij ooit nobel en rechtvaardig kunnen worden als zijn eerste echte daad zou zijn om een ezel te stelen van zijn eigen vader. Ooit zou hij het dier wel terugbezorgen (of een andere ezel), maar feitelijk kwam het neer op diefstal.

Waarom niet gewoon vragen? Als de ridder het toeliet, dan was zijn droom uitgekomen. Liet de ridder het niet toe, dan zou er niks verloren zijn en kon hij nog altijd zien wat hij verder deed met zijn leven. Het was de enige nobele uitweg die hij zag en hij zou het riskeren.
De nacht viel en de goden leken hem ongunstig gezind: regen, koude en bovendien had hij honger en was hij moe. Niet dat Dietrich geloofde in een hiernamaals, maar vanavond bad hij tot elke god die hij zich kon inbeelden om een gunstige wending in zijn jonge leven te verzoeken. Na enkele uren wachten, was de jonge zelfbenoemde page bijna zeker dat hij zou doodgevroren zijn vooraleer de ridder ooit buiten kwam, maar hij gaf niet op. Uiteindelijk draaide de voordeur zachtjes open en wandelde de ridder gracieus maar in stilte naar buiten. Dietrich raapte al zijn moed bij elkaar, stond recht en wandelde op de ridder af. De ridder was zijn paard in orde aan het maken en het duurde even voor hij de jongen opmerkte. Dietrich stopte op twee passen afstand en sprak niet. Hij was verkleumd van de kou, maar bleef fier rechtop staan en deed zijn uiterste best om niet terplaatse door zijn verkleumde knieën te zakken. De ridder stopte en keek Dietrich verbaasd aan. Het duurde een seconde vooraleer hij besefte wat de jongen hier stond te doen, maar gaf Dietrich een knik die duidelijk maakte dat hij alles begreep en bereid was zich over hem te ontfermen. Hij wierp hem een mantel toe, stapte in de stijgbeugels en reed de zonsopgang tegemoet met Dietrich wandelend naast hem.
Back to top Go down
View user profile
Kane

avatar

Number of posts : 7
Registration date : 2006-11-15

PostSubject: Het verhaal van Dietrich, deel 4   Tue Dec 19, 2006 1:53 am

Family values
De ridder bleek op terugtocht te zijn naar zijn slot. De reden waarom hij alleen op stap was zou Dietrich nooit achterhalen, maar in de loop der jaren kwam hij wel te weten dat het te maken had met gekrenkte familie-eer en een oude belofte. De ridder, Thacius von Wiederborg, ontfierm zich over Dietrich en nam hem in dienst als page. Ze leefden in het familiekasteel, waarvan Thacius als enige mannelijke nakomeling overbleef. Hij had geen echtgenote, wat zeer uitzonderlijk was, zelfs geen concubine noch minnares, maar hij had wel enkele andere knechten en andere hulpjes in dienst. Thacius voorzag Dietrich van onderdak, voedsel en verzorgde ook zijn opleiding. Vooral de wereldlijke kennis en de leer van de ethiek werden hem bijgebracht. Hij moest de kaart van het Empire blindelings uit het hoofd kennen, de rassen die de wereld bewoonden en de adellijke families. Daarnaast moest hij steeds voor ogen houden dat de wereld grijs was. De wereld was grijs, bewoond door grijze mensen en andere wezens. Sommigen helden meer over naar het licht, anderen meer naar de duisternis, maar iedereen had iets van beide in zich. Desondanks werd de jonge page geleerd dat hijzelf altijd parelwit moest zijn. Zijn streven moest immer oprecht en eerlijk zijn, net zoals dat van de heer die hij diende. Als hij ooit een heer zou dienen die deze kwaliteit niet nastreefde, diende de page zijn conclusie hieruit te trekken. Loyaliteit kwam op de tweede plaats, na integriteit zo werd de jonge page geleerd.
Dietrich keek met ontzag hoe Thacius zich perfectioneerde in het zwaardvechten, hoe gecontroleerd zijn paard naar hem luisterde en hoe rustig hij elke situatie kon inschatten en de juiste actie ondernemen. Af en toe maakte hij fouten, maar telkens nam Thacius de tijd om die fouten te achterhalen, te begrijpen en eruit te leren. Hoopvol keek hij uit naar de dag waarop hijzelf dergelijke zelfbeheersing en wijsheid zou bezitten. Ondertussen was hij een ijverig student in de hem opgelegde lessen. Bij het studeren van die lessen was er één zaak die Dietrich maar niet verstond. Als zijn meester een dergelijk belang hecht aan genealogie, waarom in Ulrichs naam “adopteerde” hij dan een jonge knaap die hij nog nooit eerder gezien had, zonder enig adellijk verwantschap en benoemde hem dan nog tot zijn page? Herhaalde keren polste onze jonge vriend hiernaar bij zijn meester, maar nooit kreeg hij een antwoord van betekenis. Verschillende malen per jaar werd Thacius uitgenodigd op een banket, ging hij jagen of nam hij deel aan een tornooi. Telkens werd hij vergezeld door Dietrich, die zo zijn wereld (en die van de adel) leerde kennen.

Dietrich was nauwelijks 5 jaar bij Thacius in dienst toen zijn wereld opnieuw ondersteboven werd gedraaid. Een bode kwam de ridderzaal binnen gestormd en gaf, na de nodige eerbetuigingen, een perkament aan Thacius. Hij nam het perkament aan, las het driemaal opnieuw en keek Dietrich aan. “Vergeet dat je geleerd hebt dat alle wezens grijs zijn. Sinds kort lopen er op deze planeet wezens rond die puur zwart zijn. Pak je uitrusting, morgen vertrekken we bij het ochtendgloren.”
Back to top Go down
View user profile
Kane

avatar

Number of posts : 7
Registration date : 2006-11-15

PostSubject: Het verhaal van Dietrich, deel 5   Wed Dec 20, 2006 11:21 pm

Na zonneschijn komt regen.
De volgende ochtend trokken ridder en page een onbekende vijand tegemoet. Thacius bezat naast zijn eigen domein geen grond en had bijgevolg ook geen lijfeigenen. In tegenstelling tot de meeste andere kasteelheren had hij dus geen soldaten die met hem mee trokken. De bedienden liet hij achter om voor het kasteel te zorgen. Nauwelijks vertrokken, vroeg Thacius aan Dietrich of hem iets speciaals opgevallen was toen Thacius gisteravond de geschreven boodschap overhandigd kreeg. Dietrich haalde zich de vorige avond voor ogen. Eigenlijk was hem niks speciaals opgevallen. “De bode zag er bezorgd uit?” Probeerde hij met twijfelende stem. “En gezien de haast waarmee u vertrok vermoed ik dat het slecht nieuws is.” Thacius schudde zijn hoofd. “Viel je verder niets op voordat ik het perkament gelezen had?” Dietrich dacht nog eens na, maar behalve dat de bode er bezorgd uit zag kon hij niks speciaals noemen. “Het feit dat de bode er bezorgd uit zag, betekent niks. Het perkament was verzegeld, dus de bezorgdheid kan niks te maken hebben met de inhoud van de boodschap die hij moest overbrengen aangezien hij niet wist wat erin vermeld staat. Mogelijks was de bode onderweg iets overkomen of had hij iets gemerkt. Maar als dit iets zorgwekkends zou geweest zijn, dan had hij dit ongetwijfeld gemeld toen hij zich aanbood. Het is immers de taak van elke heer om te zorgen dat reizigers onbezorgd zijn grondgebied kunnen doorkruisen.” Thacius vervolgde met hetgeen Dietrich wel had moeten opmerken.
Allereerst had Thacius aan de verzegeling gezien dat het geschrift van zijn feodale heer afkomstig was. In deze periode van het jaar waren er geen tornooien dus moest het om een uitzonderlijke gebeurtenis gaan. Bovendien was tas van de bode nog halfvol toen hij het perkament eruit haalde. Er waren dus nog kasteelheren die hoogstwaarschijnlijk een gelijkaardige brief zouden ontvangen. De uitzonderlijke gebeurtenis had dus betrekking op het volledige rijk, of toch een groot deel ervan. Daarnaast was de haast waarmee de bode zich aangemeld had, een teken dat hij zo snel mogelijk verder wou. Het was dus geen uitnodiging maar een dringende boodschap die overgemaakt werd. En dringende boodschappen bevatten slechts zelden goed nieuws.

Dietrich was ondertussen gewend geraakt dat Thacius hem op zaken en details wees, die hijzelf nooit zou opmerken. Telkens besefte hij ten volle dat hij nog een lange weg af te leggen had en zijn aanzien voor Thacius was enorm. Thacius vertelde dat ze naar het noorden trokken, naar een dorpje net ten zuiden van Middenheim. Deze weg leidde hen langs het ouderlijke huis van Dietrich. Als hij wou, konden ze een uur halt houden in de herberg om te rusten en ondertussen zijn familie te begroeten. Dietrich hoefde nu niet te beslissen, ze zouden wel zien als ze de herberg passeerden. Ondertussen vertelde Thacius de inhoud van de brief:
Ten westen van empire was een vijand opgestaan die alles en iedereen op zijn pad verwoestte. Neergedaald was eigenlijk een beter woord, want deze wezens leken recht uit de onderwereld voort te komen. Deze schepsels keken niet naar rijkdom, grondgebied of andere materiële zaken. Hun enige leidraad was verwoesting. Maar ondanks hun ongeorganiseerd uiterlijk leek het toch alsof er een overheersende kracht was die deze soldaten van de dood dirigeerde en beval. Ze opereerden en vochten als een klassiek leger, zonder erecode noch moreel besef. Alle ridders en hun troepen werden samengeroepen in Schoninghagen. Daar zou de keizer het bevel over het leger op zich nemen het kwaad uit roeien. Andere bevriende en neutrale rassen waren eveneens gecontacteerd.

Dietrich moest even slikken. Sinds zijn jeugd had hij gedroomd van heroïsche veldslagen en glorierijke overwinningen. In zijn dromen had hij duizenden dwergen, orcs en ander gespuis verslagen. Maar nu hij naast Thacius letterlijk op weg was naar het slagveld, was alles opeens akelig dichtbij. Hij wilde gerust de zwakkeren beschermen en alle slechte wezens de kop in slaan, maar liefst zonder zelf gewond te raken. En aangezien hij nog elke dag bijleerde, besefte hij dat zijn ervaring lang niet toereikend was. Nog voor hij zich meer zorgen kon maken, kwam herberg ‘K Zien alles Dobbel’ in zicht. Dietrich’s hart klopte ondertussen in zijn keel en de gedachte dat hij zijn familie zou terug zien en (vooral) dat het misschien de laatste keer zou zijn, hielp daar niet veel bij.
Als ze aankwamen steeg Thacius af en ging naar binnen. Dietrich zorgde voor de paarden en volgde zijn heer. Eens hij binnen, leek alles nog het oude. Een paar klanten, Dietrich herkende onmiddellijk Hanzz. Friedrich was niet direct te bespeuren. Hij ging naast Thacius zitten en wachtte af. Hij zag een klein meisje de gelagzaal binnen wandelen, dat moest zijn jongste zus zijn. Enkele tellen later betrad zijn moeder de gelagzaal. Ze was nog geen haar veranderd. Plots keek ze zijn richting uit en bleef staan. Dietrich verstijfde, niet wetend waaraan hij zich kon verwachten. Zijn moeder kwam zijn richting uit, negeerde Thacius en zei tegen haar zoon: “Deze herberg is voor jou voor altijd gesloten.” Ze draaide zich om en liep terug de gelagzaal uit. Dietrich voelde zijn hart stilvallen. Zijn keel zat plots dicht en hij had het gevoel dat hij onpasselijk werd. Hij wilde rechtstaan en haar achterna lopen, maar Thacius hield hem tegen. “Niet nu. Laat haar bekomen van de schok. Later kun je altijd terugkomen.” Thacius stond recht en nam Dietrich mee naar buiten. Ze bestegen hun paarden en trokken verder. Dietrich was compleet overstuur. Hij besefte dat hij zijn familie in de steek had gelaten, maar ergens had hij altijd geloofd dat ze het wel begrepen. Blijkbaar niet. Thacius zei dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over zijn moeder. Waarschijnlijk had ze gedacht dat hij dood was en kon ze de verrassing niet aan. Als hij meer tijd had, kon Dietrich later altijd terug komen en zouden zijn ouders meer open staan.
Het kon Dietrich allemaal niet veel schelen. Hij had veel zin om gewoon weg te lopen. Wat deed hij hier: voor zijn familie bestond hij niet meer en binnen enkele dagen zou hij tegen een vijand vechten die alle verbeelding tartte en niets anders nastreefde dan de verwoesting van het keizerrijk. En hij, een page die elke dag op tientallen fouten betrapt werd, ging die vijand tegen houden. Wat voor zin had het nog? Waarom was hij 5 jaar geleden toch weggelopen?
Drie dagen lang vervolgde Dietrich met hangend hoofd en gekweld door tegenstrijdige verlangens zijn reis. Aan de zijde van Thacius trok hij door het keizerrijk zoals hij altijd gehoopt had, maar de omstandigheden waren wel extreem anders dan in zijn dromen. Toen bereikten de ridder en zijn page hun bestemming. Het schouwspel dat zich voor hun ogen ontvouwde deed alle wanhoop vervliegen en Dietrich kon zijn ogen simpelweg niet geloven.
Back to top Go down
View user profile
Kane

avatar

Number of posts : 7
Registration date : 2006-11-15

PostSubject: Het verhaal van Dietrich, deel 6   Thu Dec 28, 2006 10:25 pm

A Knight’s Tale
Het uitzicht overtrof Dietrichs wildste dromen: voor zijn voeten lag een volledig ontplooid legerkamp. Dietrich had al meermaals verschillende ridders gezien tijdens tornooien en banketten, maar dit beeld tartte alle verbeelding. Het volledige kamp was omheind met een houten pallisade. Er waren twee toegangen waar telkens groepjes van 10 speermannen de wacht hielden. Daarnaast was er aan elke toegang een wachttoren opgetrokken met daarin telkens 3 boogschutters. Verschillende groepen patrouilleerden langs de afsluiting. Net voorbij de hoofdingang lag een veldkeuken. Iedereen die binnen kwam werd een kom soep en een homp brood bedeeld. De hoofdtent van de keizer was opgetrokken net achter de veldkeuken. Iedereen die in het kamp arriveerde werd geacht zich aan de keize aan te melden en zijn onvoorwaardelijke trouw te zweren. De keizer zat in een soort “veldtroon” voor deze protocolaire aangelegenheid. Achter hem hing een vaandel van het keizerlijke wapenschild met daarop de spreuk: “To trade life’s blood for his honour is a brave knight’s highest deed”. Na het bevestigen van de loyaliteit werden het zopas aangekomen gezelschap opgenomen in de getalsterkte.
Vervolgens werd hen door één van de klerken een logement toegewezen. De keizerlijke tent was van uitzicht eigenlijk niet zo speciaal. Enkel de vlag verraadde wie hier gelegerd was.
Naast de keizerlijke tent, bevond zich echter het paviljoen (die naam waardig!) van een regiment Bretoense ridders. Ondanks het feit dat de Bretoense ridders zich niet vonden in de politiek van de keizer, hadden ze zich voor deze campagne blijkbaar toch bij het keizerlijke leger aangesloten. Elke ridder had zijn eigen kleurrijke tent. In tegenstelling tot op een tornooi sliepen alle ridders tijdens een veldtocht in elkaars omgeving en dus niet elk in een tent omringd door zijn gevolg. Elke riddertent was gedrapeerd met de kleuren en het vaandel van zijn heer. Te oordelen naar wat allemaal naar binnen gedragen werd, waren deze tenten even luxueus van binnen als van buiten. Dietrich zag hoe een volledige collectie schilderijen door een dienaar naar binnen werd gedragen. De ridders zelf liepen rond in volledige wapenuitrusting. Het ene harnas al indrukwekkender dan het ander en elke ridder had steeds zijn page bij hem. Het was voor iedereen duidelijk dat hier de elite van het leger te slapen was gelegd.
Tegenover het paviljoen van de Bretoense ridders bevonden zich de oorlogstuigen. Het was de eerste keer in zijn leven dat Dietrich ballista’s en katapulten van dichtbij kon bewonderen. Hij huiverde als hij zag wat voor dodelijke lading deze unieke wapens honderden meters ver konden werpen. De tuigen waren grotendeels goed onderhouden, maar hadden duidelijk al verschillende belegeringen meegemaakt. Een kleine ploeg bemanning was bezig enkele laatste veldherstellingen uit te voeren.
Daarnaast kon Dietrich nog de verschillende logementstenten onderscheiden. Elke tent bood onderdak aan zo’n dertig man. Behalve de logementstenten, hadden de boogschutters hun eigen schiedveld ingericht om te kunnen oefenen. De eenheden werden ingedeeld volgens het wapen dat ze hanteerden en niet volgens hun afkomst of landheer. Zo sliepen de boogschutters bij elkaar, de handschutters, de militia, de soldaten met morgenster, de hallebardiers, enz. Telkens werd er een tentoudste aangeduid die moest toezien op de netheid en discipline. Daarnaast was er elke nacht een andere tent die van picket was. De tent die van picket was, moest binnen de 5 minuten de wacht kunnen versterken in geval van nood. Ook de stallen waren indrukwekkend om zien. De paarden van de verkenners en van de ridders werden verzorgd door een tiental stalknapen die geen andere taak hadden. Zij waren er verantwoordelijk voor dat elk paard voldoende eten en drinken kreeg, niet ziek werd en ze moesten van tijd tot tijd het beslag vernieuwen.

Dietrich had nooit durven dromen dat hij ooit deel zou uitmaken van dergelijke groep. Hij had erover gehoord in de verhalen bij het kampvuur, maar geen enkele verteller kon ook maar tippen aan de realiteit. Een leger dat zich opmaakt voor de oorlog is waarlijk één van de mooiste beelden die hij zich kon inbeelden. Het zag er simpelweg onoverwinnelijk uit. Hoe groot en krachtig de vijand ook zou zijn, hij zou nooit een schijn van kans maken tegen het leger dat zich hier voor zijn ogen ontplooide. Thacius keek naar zijn metgezel en merkte dat Dietrich evenzeer onder de indruk was als toen hijzelf voor het eerst een legerkamp zag. En toegeven, hij vond het zelf ook nog steeds indrukwekkend. Hij gaf Dietrich een paar minuten tijd om te genieten van het uitzicht. Eigenlijk had het veel weg van een mierennest: overal liepen kleine figuurtjes door elkaar en voor de buitenstaander leek het allemaal één grote chaos, maar in werkelijkheid had iedereen zijn taak en werkten ze allemaal voor het welzijn van het grotere geheel. Allemaal droegen ze hun steentje bij in de strijd tegen het slechte. Thacius haalde Dietrich uit zijn droom en samen reden ze op de ingang toe. Na te hebben genoten van hun kom soep, meldde Thacius zich aan bij de keizer. Dietrich bleef buiten wachten. Thacius kreeg een reserve tidder-tent toegewezen en Dietrich mocht als page bij hem blijven. Dietrich installeerde de tent voor zijn meester, hing het vaandel boven de ingang en bracht de paarden naar de stallen. Tegen de tijd dat Dietrich terug aan de tent was, had Thacius enkele oude bekenden ontmoet. Hij had ondertussen ook vernomen dat het leger niet lang meer in het kamp zou blijven, gezien het groeiende gevaar in het noorden.
Back to top Go down
View user profile
Sponsored content




PostSubject: Re: De kronieken van Dietrich   

Back to top Go down
 
De kronieken van Dietrich
View previous topic View next topic Back to top 
Page 1 of 1

Permissions in this forum:You cannot reply to topics in this forum
WHFRP :: Dramatis Personae :: Achtergrondverhalen-
Jump to: